Gijsbrecht Gunter:

"Uireka bundelt de krachten van de keten om oplossingen te vinden voor concrete problemen"

Het Uireka-project zit inmiddels in het laatste jaar van haar tweede fase. Dit ketenbreed en meerjarig onderzoek wil antwoord geven op complexe vraagstukken, die leven in de uienteelt en de verwerking. "We hanteren nog steeds dezelfde methode sinds het ontstaan. Onze inmiddels 70 nauw betrokken partners over de hele keten kunnen aangeven wat men belangrijk vindt of waar tegenaan wordt gelopen. Dat trechteren we tot hanteerbare onderzoeksvragen, waarmee we vervolgens aan de slag kunnen om antwoorden te vinden die in de praktijk kunnen worden gebruikt. De krachten van de keten worden gebundeld om door middel van onderzoek en oplossingen te vinden voor concrete problemen," vertelt stuurgroepvoorzitter Gijsbrecht Gunter.

"Echter, hierbij komen twee cruciale elementen van Uireka naar voren: Hoe zet je de praktische problemen om in een onderzoeksvraag en hoe krijg je de resultaten goed bij de teler? Deze moet uiteindelijk zeggen: 'Hé Eureka', wat natuurlijk een knipoog is naar Uireka. Zo streven we naar een gezonde kwaliteitsui met een mooie opbrengst en vooral een duurzame ui. We hebben op deze manier samen al veel kunnen bewerkstelligen, maar geduld en praktische handvatten bieden blijven hierin een belangrijke factor."


Gijsbrecht Gunter

De geboorte van het project ligt volgens Gijsbrecht Gunter, projectleider Chris de Visser en voorzitter van het platform Nederlandse Uientelers Jaap de Zeeuw bij het probleem van koprot in de uienteelt. "Tijdens verschillende symposia in 2015 en 2016 kwam het probleem van koprot ter sprake, waardoor de oproep ontstond om hier eventueel weer onderzoek naar te gaan doen, zoals de Stichting Nederlandse Uien Federatie (SNUIF) ooit deed," gaat Gijsbrecht verder. "De telers werden betrokken via het Platform Nederlandse Uientelers en we hebben ze dan ook toch aan boord gekregen. Uiteindelijk is ook BO Akkerbouw aangehaakt, maar dat was pas in fase 2 van Uireka."

Jaap sluit aan: "In Dordrecht zijn uiteindelijk vertegenwoordigers vanuit de hele uiensector bij elkaar gaan zitten. Het is natuurlijk ontzettend mooi dat we dit voor elkaar hadden gekregen. Daar werd besloten om te kijken hoe Uireka vorm te geven om de hele sector een boost te kunnen geven."

"Het was ook echt nodig. SNUIF werd namelijk eind jaren 80 opgeheven, omdat de overheid er niet meer voor wilde betalen. Hierdoor viel het praktijkonderzoek voor de uiensector weg," legt Chris uit. "Sindsdien was er geen ketenbreed georganiseerd, onafhankelijk onderzoek en dat is natuurlijk veel te lang. Het is daarom des te knapper dat met Uireka een nieuwe Research en Development-motor onder de sector is gelegd."

Het onderzoek naar het in bedwang houden van koprot was dan ook een van de eerste van de nieuwe samenwerking. "Hier zijn we op verschillende manieren mee aan de slag gegaan. Uiteindelijk hadden we 4 hoofdpunten in ons onderzoek. Op 3 van deze 4 punten hebben we mooie resultaten kunnen realiseren. Zo heeft het onderzoek betere inzet van middelen opgeleverd voor bestrijding tegen koprot, weten we nu goed hoe drogen en bewaren een rol kan spelen in de bestrijding en weten we hoe de verschillende waarschuwingssystemen functioneren in de praktijk. Dit hebben we, samen met informatie die al beschikbaar was over de schimmel, samengebracht in een brochure die toegankelijk is voor telers en de ketenpartners gebruiken in hun communicatie over dit onderwerp. Enige minpuntje is dat we nog steeds niet op voorhand kunnen aantonen of de schimmel in het gewas zit. De techniek is er wel om dit genetisch te herkennen, dus ben ik er zeker van dat ook dit in de toekomst te realiseren is. Al met al is het onderzoek naar koprot zeer positief. Alleen gaat er wel tijd overheen," aldus Chris.


Chris de Visser

Hier komt een punt om de hoek kijken waar, volgens de mannen, nog weleens iets te makkelijk over wordt gedacht. "Makkelijke vragen laten we over aan de markt. Uireka werkt met complexe vraagstukken, waar niet gelijk van vandaag op morgen een antwoord op te verwachten is," legt Gijsbrecht uit. "Natuurlijk valt er tussentijds nog weleens iets van de kar wat direct van toepassing kan zijn en dat is mooi, maar veel van onze onderzoeken zijn meerjarig en vragen geduld."

Jaap stelt dat directe resultaten zo nu en dan wel nodig zijn om draagvlak te kunnen behouden onder mensen om aan te blijven haken. "Voor telers is het soms lastig om een aantal jaren mee te werken zonder direct bruikbaar resultaat. Er zijn ook diverse kortetermijnonderzoeken geweest naar bijvoorbeeld irrigatie, die snel in de praktijk van toepassing kunnen zijn. Andere voorbeelden op korte termijn zijn het effect van herbiciden op scheurkontjes op zandgrond, ras-effecten en stikstofgift en het overleven van ziekten en plagen in organische reststromen. De balans tussen fundamenteel meerjarig onderzoek en directe resultaten is dan wel belangrijk om draagvlak te kunnen behouden onder je partners."

"Uiteindelijk kunnen we tot resultaten komen waar over de hele keten voordeel mee gedaan kan worden," vertelt Gijsbrecht. "Zo is bijvoorbeeld ons jaarlijks rassenonderzoek, en de daarbij gepubliceerde rassenlijst, een gewaardeerd onderzoek onder de telers. Eind augustus komt de lijst uit en dit is voor vele telers de basis om te kijken welk zaaizaad ze willen bestellen voor het jaar daarop. Wat ik hier persoonlijk wel jammer vind, is dat eigenschappen zoals dikte van de waslaag en samenstelling van het wortelgestel in relatie tot weerbaarheid en klimaateffecten nog niet echt zijn opgenomen, het blijven vooral de standaardeigenschappen die gekwantificeerd worden."

"Verder is het fundamenteel genetisch onderzoek naar stengelaaltjes, koprot en fusarium uiterst interessant voor zaadbedrijven en is het onderzoek naar alternatieven voor MH (anti-spruitmiddel) iets waar de handel heel erg naar uitkijkt. Zelf vind ik het onderzoek naar een weerbaar gewas een super interessant onderwerp, maar dat heeft misschien ook te maken met mijn Wageningse achtergrond. Deze voorbeelden zijn slechts een greep uit alle onafhankelijke onderzoeken die uitgevoerd worden." Op deze manier zien alle drie de mannen dat Uireka ketenbreed wordt gedragen. "Iets unieks en een voorbeeld voor andere sectoren hoe het mogelijk is."


Jaap de Zeeuw

Uiteindelijk moet dit allemaal bijdragen aan een betere kwaliteit, lagere milieufootprint en hoge opbrengst en daarmee de toegevoegde waarde van de Nederlandse ui. Iets wat volgens Jaap ook uitermate belangrijk en urgent is. "In begin jaren 2000 was het normaal dat je een gemiddelde opbrengst van rond de 65/70 ton per hectare had in de polder. Inmiddels praten we over minder dan 55 ton. De kosten zijn echter alleen maar gestegen, waardoor het zo belangrijk is dat telers de handvatten krijgen om goede keuzes te maken voor constante kwaliteit en optimale opbrengstpotentie." Gijsbrecht beaamt dat en geeft aan dat ook voor de handel, zaadbedrijven en toeleveranciers de kosten stijgen, waardoor de kostprijs voor een kilo uien de komende jaren weleens 20 tot 30 procent kan stijgen. "Die extra kosten kunnen niet van de bestaande marges af, dan is het niet meer rendabel. We zullen het samen moeten zoeken in valorisatie van de toegevoegde waarde van de Hollandse ui."

Een voorbeeld van de problemen waar Uireka onder andere zeer aan kan bijdragen is de recente discussie rond Fandango tegen valse meeldauw. Chris legt uit: "Er is ontzettend veel haast vanuit de politiek met het afbouwen van het middelenpakket, maar je hebt niet van de ene op de andere dag de stap naar volledige duurzaamheid gezet. Als je kijkt hoe complex het is om de duurzame alternatieven te ontwikkelen, en dan niet alleen in de vorm van groen, maar ook financieel en teelttechnisch, hebben we daar tijd voor nodig."

"Bovendien heb je sowieso al tijd nodig vanwege de seizoenen, waarin je maar een proef per keer kan doen en altijd te maken hebt met weersomstandigheden. We weten met valse meeldauw dat je 100% opbrengstverlies kunt hebben als je het zijn gang laat gaan. Ook denk ik dat je in je beleid de mogelijkheden voor de potentie van resistentieontwikkeling bij gebruik van andere middelen mee moet laten wegen. Als resistentie ontstaat, heb je opeens helemaal niks meer. Daar willen we zeker niet uitkomen. Er moet vertrouwen zijn in de wetenschapper dat hij weet hij doet. Met geduld kan Uireka antwoord geven voor alternatieven."

Gevraagd naar de toekomst zijn Gijsbrecht, Chris en Jaap het eens dat het van groot belang is dat de huidige richting wordt doorgezet. "Of je nu over 5 of 25 jaar praat, ik hoop dat er dan nog steeds een breed netwerk of platform is waar vragen neergelegd kunnen worden die ketenbreed en door deskundigen bekeken en onderzocht worden. Onderzoek dat onafhankelijk gedaan kan worden met een goede balans tussen antwoorden op fundamentele vraagstukken en praktijkgerichte handvatten is daarin cruciaal," aldus Gijsbrecht.

Jaap hoopt dat advisering naar de telers met de voortzetting van projecten als Uireka makkelijker wordt gemaakt. "Informatie uit de onderzoeken moeten snel, direct en makkelijk toegankelijk zijn voor de teler. Voor het behoud van een kwalitatief hoogwaardig product is het noodzakelijk dat het voor de telers makkelijk gemaakt wordt om bijvoorbeeld zonder moeite ergens in te loggen en gelijk te zien wat de mogelijkheden en keuzes zijn voor hun teelt. Zo kun je de toekomst van de Nederlandse ui waarborgen."

Dit is een artikel dat verscheen in de februari editie van Primeur.

Voor meer informatie:
Uireka
+31 79 368 11 00
info@uireka.nl 
www.uireka.nl 


Publicatiedatum:



Ook onze nieuwsbrief ontvangen? | Klik hier


Ander nieuws uit deze sector:


Schrijf je in voor onze dagelijkse nieuwsbrief om al het laatste nieuws direct per e-mail te ontvangen!

Inschrijven Ik ben al ingeschreven