John Brunen begeleidt telers die uien voor zaadteelt produceren

‘Werken aan een product dat pas over twee jaar klaar is’

Uienzaadteelt gaat in twee stappen: de eerste stap is de teelt van de bollen en de tweede stap is de bloei en zaadzetting in Frankrijk of zuidelijker. John Brunen doet samen met zijn collega de planning en begeleiding van de bollenteelt. Het gebeurt in nauw overleg met de telers, waar Brunen en zijn collega vaak op het erf komen.

Na 27 jaar doet John Brunen zijn werk voor De Groot en Slot met het zelfde plezier als waar hij mee begon. “Voor mij blijft dit gewoon elk jaar weer anders. De producten veranderen, het weer is elk jaar anders, het contact met de telers… En er is altijd de uitdaging dat het nog beter kan", zegt hij in het Uien Magazine van De Groot en Slot.

Brunen groeide op in de polder op een akkerbouwbedrijf, zat op de landbouwschool in Dronten en rolde daarna in het wereldje van veredeling en teelt bij De Groot en Slot. De planning, begeleiding, kwaliteitscontrole en verzending van de uien naar de zaadtelers vullen het jaar, maar in de herfst is het altijd drukker. Tussen het rooien en de planning om deze uien weer uit te planten, zit soms minder dan een maand. Dan controleert hij de uien bij de telers. Er moeten namelijk goede uien naar de zaadtelers want voor de uienzaadteelt zijn de kwaliteit en de maat van de uien belangrijk.

Waar de bollenteelt voornamelijk onder verantwoordelijkheid valt van De Groot en Slot, valt de uienzaadteelt in het buitenland voornamelijk onder de verantwoordelijkheid van Bejo. Er is tussen beide partners intensief contact. “Op basis van de planning en ervaring stemmen wij het nieuwe seizoen voor de bollen- en zaadteelt op elkaar af. Jaarlijks bezoeken we ook telers daar. Net als bij de bollenteelt in Nederland werken wij heel veel jaren samen met dezelfde ervaren zaadtelers. Ik heb er in Nederland telers bij zitten, waar ik sinds ik dit werk doe, elk jaar terugkeer”, zegt Brunen.

Precies werken
Een voorbeeld van een bedrijf dat al jaren bollen teelt voor de zaadproductie is maatschap Van Stee bij Lelystad. Vader Kees van Stee en zijn zoon Remco zaaien en oogsten de ouderlijnen van de uien. Brunen: “Het is precies werk. Bij het zaaien moet je alles van één ouderlijn netjes zaaien en de zaaimachine daarna absoluut schoonmaken om vermenging te voorkomen. De teelt is verder zoals de reguliere uienteelt. Na de oogst moet je alle ouderlijnen goed apart houden.”

Voor de zaadteelt sorteert Van Stee de maat 40 tot 75 millimeter uit de partij. Brunen: “Normaal gesproken valt 90 procent van de uien in die maat. Bij de bollenteelt gaat het anders dan bij de teelt voor consumptie. Meestal gaat het in de akkerbouw om kilo maal prijs, hier gaat het om het aantal bollen.” Om zoveel mogelijk bollen te produceren, zaaien de Nederlandse telers wat dikker.

In oktober gaat Brunen bij de bollentelers langs voor de kwaliteitscontrole. Hij weegt en telt hoeveel uien er in de partij zitten. “Optimaal is twaalf tot veertien uien in een kilo. Van de oogst van 2018 zijn de uien wat kleiner gebleven dan normaal.”

Brunen controleert elke partij die straks direct van de bollentelers naar de zaadtelers gaat. Dat doet hij het liefst aan het begin van het sorteren, zodat er nog wat te corrigeren is, mocht er wat aan de hand zijn met een partij. Met een weegschaal, een laptop en een printer in de auto heeft hij zijn kantoor bij zich. “De kwaliteitsrapporten gaan naar het kantoor en ik maak altijd een printje dat meegaat bij het transport. De zaadtelers vinden het praktisch om het ook op papier te hebben.” Brunen noemt het rapport een BQR, een Bulb Quality Report. “We communiceren in het Engels.”

In de ui kijken
Het is erg belangrijk dat de uien geen ziektes meenemen naar de volgende bestemming. Daarom zijn de percelen altijd vooraf bemonsterd op bodemziektes en snijdt Brunen na de oogst een groot aantal uien door voor een interne controle. Vaak zijn dat wel honderd stuks per partij. Hij controleert op schimmels en bacteriën in de uien. “Vooral de bodemschimmel fusarium kom je regelmatig tegen en af en toe een bacterieziekte. Die willen we niet meenemen naar de volgende locatie”, zegt Brunen. “Ik neem ook een zakje uien mee die we samen met de uien van de andere telers opplanten op kleine veldjes. Zo kunnen we de kwaliteit van het materiaal naast elkaar vergelijken.”

Logistiek
Bij het werk van teeltbegeleider Brunen en zijn collega hoort ook het logistieke deel. Ze bespreken met een kleine dertig Nederlandse bollentelers welke uien op welke percelen komen. Dan volgen ze de teelt en geven aan op welk moment de uien geschikt zijn om te sorteren. De zaadteler weet precies wanneer de partij aankomt. “Zaadtelers planten in de herfst en het vroege voorjaar uit. De ui heeft een koudere periode nodig om in bloei te komen. Heel koud hoeft dat niet te zijn. Ze gaan ook bloeien als ze in een cel bewaard zijn bij zes tot acht graden.”

Timing
Om hybride zaad te krijgen, moeten de mannelijke en vrouwelijke lijnen wel tegelijk gaan bloeien. De uien zijn daglengtegevoelig. Soms wordt de locatie zo gekozen dat de bloei van mannetjes en vrouwtjes in de zaadteelt beter op elkaar aansluit. “In het zaadteeltgebied bestuiven bijen de uien. Daarom moet het tijdens de bloei in juli goed weer zijn. Een dagje regen geeft niet, maar het mag niet te lang duren. Met zo’n warme zomer als in 2018 hadden we wel zaad kunnen telen in Nederland, maar dat weet je nooit van tevoren.” Wijzend op een kist uien: “Deze uien gaan bijvoorbeeld naar het gebied onder de Loire in Frankrijk. Het betreft de mannelijke lijn. Die hoeft alleen maar stuifmeel te produceren. Na de bloei kan de zaadteler de mannelijke lijn verwijderen. Het zaad groeit namelijk aan de vrouwelijke planten.”

Brunen maakt zelf de afspraken voor de teelt met de akkerbouwers. Het contracteren hoort bij zijn werk. Veel bollentelers zitten in Flevoland, een aantal in Noord-Holland. Een paar telers zijn gespecialiseerd in de vermeerdering van biologische zaaiuien. Bollentelers zijn verantwoordelijk voor de teelt tot en met het sorteren, maar laten dit soms bij een andere teler doen.

Om de risico’s te spreiden zal De Groot en Slot altijd op meerdere locaties ouderlijnen laten telen. “Je wilt niet door een hagelbui alles kwijt raken. Bij lijnen van veelgevraagde rassen telen we soms wel op vier of vijf plaatsen, maar altijd op minimaal twee plekken.”

Bron: Uien Magazine, De Groot en Slot


Publicatiedatum :


print   

Ook onze nieuwsbrief ontvangen? | Klik hier


Ander nieuws uit deze sector:


© UienNieuws.nl 2019