Een te hoog CO₂-gehalte in de bewaring wordt bij veel producten als schadelijk beschouwd. Daarom investeren telers vaak in actieve luchtverversing of apparatuur om het CO₂-gehalte te meten. Toch is dat lang niet altijd nodig, omdat het CO₂-gehalte in veel gevallen geen schadelijke niveaus bereikt, beschrijft DLV Advies & Resultaat.
Uien, aardappelen en winterpeen zijn levende producten. In de bewaarruimte blijven ze ademen, waarbij ze zuurstof verbruiken en CO₂, warmte en water produceren. De mate van ademhaling hangt onder andere af van de activiteit van het product. Bij een onrijp product of bij uitloop neemt de ademhaling toe. Ook het type product en de temperatuur spelen een rol.
© DLV
Zo is de ademhaling van vers geoogste winterpeen twee keer zo hoog als die van uien en aardappelen. Eenmaal op bewaartemperatuur is de ademhaling van winterpeen echter vier keer zo laag. Ademhaling leidt tot een stijging van de producttemperatuur en tot gewichtsverlies. Daarnaast ontstaat CO₂ (koolstofdioxide). Uit onderzoek blijkt dat één ton product op bewaartemperatuur (in rust) ongeveer een halve liter CO₂ per uur produceert. Kort na het inschuren, wanneer de temperatuur hoger is, kan dit oplopen tot vier liter per uur. Ook aan het einde van de bewaarperiode neemt de CO₂-productie weer iets toe. Dit betekent dat het CO₂-gehalte in een hermetisch afgesloten bewaarruimte met winterpeen theoretisch snel kan stijgen. Het gehalte wordt vaak uitgedrukt in parts per million (ppm).
In buitenlucht bedraagt het CO₂-gehalte circa 400 ppm (0,04%). In een bewaring met 750 kisten winterpeen kan het gehalte in rust in 24 uur oplopen tot 0,5% (5.000 ppm). Bij een net ingeschuurde partij kan dit binnen één dag stijgen tot 2% (20.000 ppm), en na drie dagen zelfs tot 6%. In de praktijk worden deze hoge waarden echter zelden gemeten. Metingen laten meestal waarden zien tussen 3.000 en 8.000 ppm. Dit komt doordat een bewaarruimte nooit volledig luchtdicht is. Via kieren en naden vindt altijd luchtuitwisseling plaats, waardoor CO₂ kan ontsnappen. Echt hoge concentraties komen alleen voor in volledig afgesloten koelcellen met goed afgedichte panelen en beperkte deuropeningen.
Ventilatie
Na ventilatie met buitenlucht daalt het CO₂-gehalte weer naar een evenwichtsniveau. De snelheid waarmee dit gebeurt, hangt af van de ademhaling van het product. Onderzoek van onder andere DLV Advies laat zien dat het CO₂-gehalte in een relatief dichte bewaring snel kan oplopen tot circa 5.000 ppm (0,5%). In het begin van het bewaarseizoen vormt dit meestal geen probleem, omdat er voldoende wordt geventileerd voor koeling en vochtafvoer. Problemen ontstaan vooral wanneer het buiten kouder wordt en minder wordt geventileerd, of wanneer deuren beter gesloten blijven. Ook in het voorjaar, tijdens warmere periodes, wordt de lucht minder vaak ververst. Tegelijk neemt de ademhaling van het product toe doordat het actiever wordt. In deze situaties kan het CO₂-gehalte binnen 4 tot 6 uur stijgen tot 0,5%.
Reducerende suikers
Een hoog CO₂-gehalte is gevaarlijk voor mensen. Bij 1,5% (15.000 ppm) kunnen al klachten zoals kortademigheid optreden. Concentraties van 3 tot 4% zijn gevaarlijk, en boven de 5% is CO₂ zelfs dodelijk. Ook voor akkerbouwproducten is een hoog CO₂-gehalte ongewenst. Het product raakt in stress.
Bij aardappelen leidt dit tot de vorming van meer reducerende suikers, wat de bakkwaliteit van frites- en chipsaardappelen negatief beïnvloedt. Onderzoek naar de invloed van CO₂ op kiemrust en kiemgroei is vaak uitgevoerd bij hogere concentraties (1% of 10.000 ppm en hoger). Uit onderzoek van DLV Advies blijkt dat een CO₂-gehalte van 0,5% (5.000 ppm) gunstiger is voor de bakkwaliteit dan 0,8% (8.000 ppm). De indicatie is dat telers voor aardappelen een CO₂-gehalte boven 0,5% moeten vermijden. Voor andere gewassen ligt deze grens mogelijk hoger, rond 1% (10.000 ppm).
Toch hanteren sommige telers uit voorzorg de lagere grens van 5.000 ppm. De vraag is of dat altijd noodzakelijk is. Om CO₂-schade te voorkomen, kan gebruik worden gemaakt van een CO₂-meter die ventilatoren en luchtkleppen aanstuurt. Ook kan een kleine ventilator voor continue luchtverversing worden ingezet. Een eenvoudiger alternatief is om met een handmeter periodiek het CO₂-gehalte te meten. Dit geeft inzicht in hoe goed de bewaring is afgesloten en hoe hoog het gehalte oploopt. Blijkt uit metingen dat het CO₂-gehalte onder de gewenste grens blijft, dan zijn aanvullende maatregelen niet nodig. Dit is in de praktijk regelmatig het geval, ook in nieuwe bewaarruimtes. Wanneer het gehalte wel te hoog wordt, volstaat het vaak om de productventilatoren kort in te schakelen. Enkele minuten ventileren per 6 tot 8 uur is doorgaans voldoende.
Afzuigen
Een alternatief is het continu afzuigen van lucht, bijvoorbeeld met een buisventilator. Deze zuigt lucht af op het laagste punt van de bewaring, waar de CO₂-concentratie het hoogst is. Hiervoor is een capaciteit nodig van ongeveer 0,5 tot 1 m³ per uur per m³ product. Bij een partij van 750 ton winterpeen betekent dit een capaciteit van 500 tot 1.000 m³ per uur. Met deze methode blijft het CO₂-gehalte continu op een acceptabel niveau. Daarnaast is de luchtstroom zo beperkt dat vochtverlies minimaal blijft. In koelcellen kan gebruik worden gemaakt van een PVC-buis van 100 mm aan de zuigzijde van de verdampers. Door de onderdruk die ontstaat wanneer de ventilatoren draaien, wordt automatisch verse lucht aangezogen. Het is daarbij wel belangrijk om in een andere wand een overdrukopening aan te brengen.
Voor meer informatie:
DLV Advies & Resultaat
[email protected]
www.dlvadvies.nl