De ui heeft een complexe fysiologie. Vanaf ontkieming tot aan het rijpen van de uienbol beïnvloeden talloze klimatologische en agronomische factoren de ontwikkeling van de uienplant. Na de opkomst van het eerste echte uienpijpje vindt die ontwikkeling grofweg plaats in drie fases: de vegetatieve fase (het aanmaken van het uienloof), de bollingsfase (met een zo weelderig mogelijk groen bladerdek) en de rijpingsfase (het uitdrogen van het uienloof en de finale afrijping van de bol). Holland Onion Association ging in haar nieuwsbrief in op de vegetatieve fase.


Foto WUR

Unieke beworteling
De ui vormt bij kieming een primaire wortel, de kiemwortel. De primaire wortel heeft als taak om het uienzaadje in de grond te verankeren. Gelijk met het ontstaan van het eerste echte uienpijpje sterft de kiemwortel af en wordt vervangen door nieuwe wortels. Deze wortels bezitten weinig tot geen wortelharen en vertakken zich ook  niet. Een Hollandse ui vormt bovendien al zijn wortels in de grondlaag tussen 0 en 60 cm. Uit proeven is zelfs gebleken dat 90% van het wortelstelsel tot op een diepte van slechts 18 cm wortelt. Dit typische patroon van bewortelen van de Hollandse ui verandert -in tegenstelling tot andere gewassen - nauwelijks. De beworteling is dus vrij oppervlakkig en schaars. Toch kan het uiengewas perioden van droogte goed doorstaan, omdat de huidmondjes in het uienloof zich al sluiten bij een geringe mate van vochttekort en de uienplant over een dikke waslaag beschikt die zonlicht reflecteert en verdamping voorkomt. Dit betekent echter wel dat de groei bij een aanhoudend vochttekort zal stagneren. Aandacht voor een continue, goede vochthuishouding is essentieel en een terugkerend element in het dagelijkse ritueel van de Hollandse uienteler. Want een gezond groeiend uiengewas is van zichzelf weerbaarder tegen ziekten en plagen.

Loofdek is graadmeter
Het aantal bladeren dat een uienplant uiteindelijk vormt, wordt bepaald door de temperatuur, de ontwikkelingssnelheid en de plantdichtheid. Bij een hogere temperatuur zal een ui sneller bladeren vormen, terwijl geen bladeren meer worden gevormd zodra de plant in bolvorming gaat. Bij een gemiddelde etmaaltemperatuur van 15 °C zal elke 8 dagen een nieuw blad verschijnen. (bron: Teelthandleiding 53 DLV). De bladontwikkeling moet tijdens de groeifase zowel kwalitatief als kwantitatief goed op peil blijven. Het is een belangrijke graadmeter voor een goede ontwikkeling van de bol. Het zijn immers de bladeren die reageren op licht en temperatuur en instaan voor de fotosynthese.

Flamboyante verschijning
De uienplant is in ieder fase van zijn groei een flamboyante verschijning. De ui is de enige groente die eigenwijs met het midden van het plantje boven de aardkorst verschijnt; het kramstadium. Dan pas verrijst het onder de grond inmiddels verdorde puntje ook uit de grond. Dat wappert dan als een vlaggetje aan het frêle stengeltje: het vlagbladstadium. Daarna verschijnt het eerste echte uienpijpje en sterft het vlagblad af. En dan gaat het snel. Bij 20 graden Celsius zal er elke 5 dagen wel een nieuw blad verschijnen. En al lijkt het op het veld van wel, uien hebben eigenlijk helemaal geen blad, maar holle langwerpige pijpjes. Het is alsof de pijpjes niet vanuit de bolbasis, maar aan een stengel groeien die al dikker wordt en tenslotte een ronde bol vormt, die daarom schijnstengel genoemd wordt. De echte stengel van de ui is niet meer dan de dunne krukachtige krans onderaan de bol, waaraan de wortels zitten, de bolstoel.

Gewas met waslaag
Alle uienpijpjes hebben een beschermende opperhuid als dekweefsel. De opperhuid van schijnstengel en blad hebben een waterafstotend waslaagje waarin zich huidmondjes of stomata bevinden, dat zijn minuscule openingen in de opperhuid met twee sluitcellen. Bij licht gaan de huidmondjes open en wordt koolstofdioxide opgenomen voor het proces van fotosynthese waarbij in het bladgroen glucose wordt gevormd als voedingsstof en zuurstof als bijproduct. En er wordt water en zuurstof verdampt door de huidmondjes. Water is naast bouwsteen ook een belangrijk transportmiddel van nutriënten in de plant en zorgt tevens dat de plant kan afkoelen door verdamping van water. ’s Nachts is het proces omgekeerd en neemt de plant zuurstof op uit de lucht en stoot koolstofdioxide als afvalstof uit, net zoals wij mensen continue doen, of het nu nacht of dag is.

Gewastemperatuur 
Een goede continue watervoorziening van het uiengewas is een voorwaarde voor een kwalitatief en kwantitatief optimale opbrengst. Een goede watervoorziening is ook essentieel voor het effectief gebruik van de voedingsstoffen door de uienplant en voorkomt onnodig verlies van nutriënten. De gewastemperatuur overdag kan bij uien behoorlijk oplopen. Deze kan wel 4 tot 8 graden – en bladtemperaturen soms wel 10 graden – hoger zijn dan de luchttemperatuur op officiële meethoogte. De temperatuur ’s zomers tussen een rechtopstaand open gewas als de Hollandse ui is dus ook vaak hoger dan een gewas dat breed uitgroeit. Na een vijftal mooie, zonnige dagen in het voorjaar verdampt een perceel uien al gauw 15 mm vocht. Vocht dat verdampt, moet tijdig worden aangevuld, via neerslag of via beregening of irrigatie, wil de plant gezond blijven doorgroeien. Een geroutineerde uienteler voelt met regelmaat aan zijn bodem en start met beregenen zodra er geen kluitvorming meer optreedt na het samendrukken van de grond. Deze valt dan uiteen tot vrijwel losse korrels. Met twee mm beregening per etmaal is het uiengewas in een droge periode in staat net zoveel water op te nemen om de groei van het gewas op niveau te houden.

Verstoorde groei
De groei van het uiengewas kan dus verstoord raken door kou of droogte gevolgd door snelle groei, ook wel groei-explosie genoemd die tot de zogenaamde ‘scheurkontjes’ kan leiden, een fenomeen waarbij de wortelkrans en zelfs de bol zelf open scheurt. Een tweede bedreiging is hagelschade. Dit geeft inwendige verkleuring van de rokken en vergroot de kans op infectie en aantasting door schimmels, bacteriën of insecten. Immers, bladschade vormt een open ingangspoort voor talloze ongewenste pathogenen. En dan is er in Nederland altijd de dreiging van te veel neerslag ineens. Dan ontstaat zuurstoftekort bij het dichtslaan van de bodem of wanneer er grote plassen water blijven staan, zelfs vergeling van het loof of afsterving.

Groenbemesters
Groenbemesters hebben natuurlijk al veel nuttig grondwerk voor de Hollandse teler gedaan door het toevoegen van organische stof. Organische stof is belangrijk voor de levering van stikstof, fosfaat en andere natuurlijke nutriënten. Ze vertegenwoordigen een aardige hoeveelheid biomassa en beïnvloeden daarmee gunstig de nutriëntenlevering en –uitspoeling. Met de opbouw van organisch materiaal in de bodem wordt deze ook aantrekkelijker voor bodemorganismen en werkt kunstmest beter. In Nederland bestaat de nutriëntengift grofweg voor twee derde uit organische meststoffen en gedurende het seizoen voegt de boer met de grootste zorg en kennis het resterende deel specifieke minerale nutriënten toe in de vorm van kunstmest. Groenbemesters nemen nutriënten op die na de teelt van het hoofdgewas in de bodem zijn achtergebleven en houden ze vast in het belang van het volgende gewas. Na het afsterven van de groenbemester komen voor de ui belangrijke nutriënten zoals kali, mangaan en fosfaat beschikbaar.

Onkruid vergaat niet
Doordat uien langzaam groeien en een smal opstaand bladerdek hebben, kunnen ze onkruid zelf niet gemakkelijk overschaduwen. Onkruid is een grote natuurlijke vijand van de ui, omdat het immers licht, vocht en voedingsstoffen wegneemt. Bodemherbiciden onderdrukken de onkruidgroei en onkruid dat toch nog is ontglipt, wordt dagelijks handmatig met de schoffel nagewied. Want een oude uientelerwijsheid zegt niet voor niets: ‘Wie een jaar zijn onkruid laat staan, kan zeven jaar aan het wieden gaan.’

Donderbeestjes
En als het gewas dan alle natuurlijke elementen het hoofd heeft geboden zijn er altijd nog die donderbeestjes of onweersvliegjes die in een droge warme zomer vanwege hun massaliteit ernstig huis kunnen houden. Want tripsen houden van warme omstandigheden. Aan vocht hebben ze een hekel. Zowel de vliegjes als de larven veroorzaken kleine zilverachtige vlekjes in de lengterichting van het blad. Een heuse plaag kan leiden tot wel 40% opbrengstverlies. Steeds vaker wordt voor een succesvolle beheersing en bestrijding steriele insectentechniek ingezet. Maar ook hier triomfeert het ritme van een dagelijkse waarneming in het veld door de Nederlandse uienteler. Het schadebeeld kan vroegtijdig zeer worden beperkt door iedere drie dagen een zorgvuldige gewascontrole te doen en in de oksels van de bladeren te kijken. Tripsen zijn lichtschuw en verschuilen zich daar in eerste instantie het allerliefst.

En dan begint het uiengewas zo tegen de langste dag met minimaal 16 uur daglicht, aan de inductie tot bolling. In deze fase heeft het gewas heel veel vocht nodig om de bol te kunnen vormen. Zonder voldoende vocht stagneert de groei van de bol. Voldoende water maakt of breekt een succesvolle uienteelt.

Bron: Holland Onion Association